Arrest Hof Arnhem Smedema/OM

FacebookTwitterGoogle+Share

Arrest Hof Arnhem Smedema/OM strafzaak smaad 3 december 2012

Kopie fax van het frauduleuze arrest(niet gepubliceerd(!) in uitspraken.nl) met meer details – pdf:  VonnisHofArnhem

Zie voor hele arrest maar nu met direct daarbij de fouten en fraude aangegeven: Huiveringwekkend Arrest Hof Arnhem!

Zie voor alle documenten, kritiek en analyse Post Corrupt Hof Arnhem veroordeelt onschuldige Hans Smedema

GERECHTSHOF LEEUWARDEN nevenzittingsplaats Arnhem

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000316-09 Uitspraak d.d.: 3 december 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechtcr in de rechtbank Leeuwarden van 9 februari 2009 in de strafzaak tegen

HANS SMEDEMA,

geboren te Leeuwarden op 27 maart 1948, wonende te 9203  Drachten.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 november 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage 1). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr A.M.J. Comans naar voren is gebracht.

Onderzoekswensen

Bij appelschriftuur van 23 februari 2009 is, onder verwijzing naar de brief van verdachte van 29 januari 2009, verzocht om het horen van een aantal getuigen. Bij tussenarrest van 23 december 2011 heeft het hof het verzoek voor wat betreft een vijftal getuigen toegewezen en bepaald dat deze getuigen gehoord dienden te worden door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de rechtbank Leeuwarden, en het verzoek voor het overige aangehouden.

Ter terechtzitting van 19 november 2012 heeft de raadsman het verzoek gedaan de vijf inmiddels door vorengenoemde rechter-commissaris gehoorde getuigen, thans onder ede ter terechtzitting als getuigen te horen en het verzoek ten aanzien van de getuigen waarover de beslissing bij tussenarrest werd aangehouden herhaald.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen het oproepen van de door de raadsman gevraagde getuigen. Met betrekking tot de reeds door de rechter-commissaris gehoorde getuigen neemt de advocaat-generaal het standpunt in dat de verdediging het ondervragingsrecht reeds heeft kunnen uitoefenen. Met betrekking tot de overige getuigen neemt de advocaat-generaal het standpunt in dat deze getuigen niet behoeven te worden opgeroepen omdat door achterwege blijven van een oproeping het verdedigingsbelang niet wordt geschaad.

Het hof heeft tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting bepaald dat de beslissing over hetgeen met betrekking tot de getuigen eerst bij tussen- dan wel eindarrest zal worden beslist nadat de zaak inhoudelijk is behandeld.

Met betrekking tot de getuigenverzoeken oordeelt het hof als volgt:

Verdachte heeft de hem tenlastegelegde gedragingen in hoger beroep bekend. Hij heeft daarbij gewezen op de bijzondere omstandigheden waardoor hij zich daartoe gerechtigd en/of gedwongen voelde. Die bijzondere omstandigheden zijn, aldus verdachte dat zijn vrouw meerdere malen is gedrogeerd en verkracht, dat hij niet de biologische vader is van de kinderen die zijn vrouw ter wereld heeft gebracht, en dat er sprake is van een gruwelijke doofpot en een complot waar velen bij zijn betrokken, waaronder een officier van justitie, psychiaters en advocaten. Ook de resultaten van DNA-onderzoeken om vast te stellen of hij de biologische vader is van uit zijn huwelijk met zijn (ook thans nog) echtgenote geboren kinderen zijn, aldus verdachte, vervalst.

De vijf getuigen die door de rechter-commissaris zijn gehoord zijn het meest direct betrokken bij dit door verdachte geschetste alternatieve scenario. Deze getuigen, waaronder de vrouw van verdachte, hebben in hun verklaringen geen enkele steun geboden voor het scenario van verdachte. Sterker nog:  in sommige verklaringen als ook in eerder afgelegde verklaringen van deze getuigen wordt het scenario van verdachte met kracht tegen gesproken. Ook overigens is in het dossier geen enkele steun te vinden voor het alternatieve scenario van verdachte.

De getuigen E. B.,  H. P., W. J., J. D. en K. J. zijn reeds door de rechter-commissaris gehoord, maar niet onder het verband van de eed of belofte. De verdediging heeft verzocht deze getuigen opnieuw te horen en nu wel onder ede. Verdachte betwist de juistheid van de verklaringen, omdat deze in strijd zijn met het alternatieve scenario van verdachte. Verdachte wil met het horen van deze getuigen aantonen dat zijn alternatieve scenario de waarheid is.

Het hof wijst het verzoek tot het horen van de getuigen E. B., H. P., W. J., J. D. en K. Janstna af. De getuigen zijn reeds gehoord door de rechter-commissaris en de verdediging heeft op deze wijze reeds gebruik kunnen maken van het ondervragingsrecht. [het had op de weg gelegen van de toenmalige raadsvrouw van verdachte, de rechter- commissaris te verzoeken de getuigen onder ede te horen indien en voor zover de verdediging daar bijzonder belang aan hecht. De enkele omstandigheid dat de rechter- commissaris de getuigen heeft aangemaand de waarheid te spreken en hen niet (ook) heeft beëdigd levert onder die omstandigheden onvoldoende reden op de getuigen opnieuw te horen.

Nu ook overigens de noodzaak tot het opnieuw horen van deze reeds door de rechter- commissaris gehoorde getuigen niet is gebleken, moet het verzoek met betrekking tot die getuigen worden afgewezen op grond van  hetgeen hiervoor is overwogen.

De beoordeling van het verzoek met betrekking tot de overige getuigen:

Het hof wijst het verzoek tot het horen van de getuigen J. Smedema, T. de Jong, M. Smedema, J. de Boer, mevrouw P.,  S. van Arkel, B. J., J. de Vries, W.R. Rosingh, H. van Kesteren, R.G. Holst en mevrouw D. eveneens af. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat door het niet horen van deze getuigen, de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad, nu elk begin van aannemelijkheid in enigerlei vorm van het bestaan van een alternatief scenario waarover deze getuigen zouden kunnen verklaren, ontbreekt.

De raadsman heeft ter terechtzitting met verwijzing naar zijn brief van 8 november 2012 het verzoek tot het laten verrichten van aanvullend onderzoek herhaald. Verzocht is om de volgende aanvullende onderzoeken te laten verrichten:

  • Een nieuwe gewaarborgde DNA-test vaderschap van Hans Smedema en de vaststelling wie de eerdere vaderschapstest uit 2003 heeft vervalst
  • Een vaderschapstest van Rieks P. met betrekking tot de jongste zoon van Smedema.
  • De vaststelling dat er sprake is van een samenzwering door de Kroon door zedenrechercheur Voshol van de politie Leeuwarden te horen en door te onderzoeken waarom een al gestart onderzoek naar verkrachting van de vrouw van Hans Smedema bij justitie moest worden stopgezet onder verwijzing naar een brief van een “Smedema”.
  • Onderzoeken waarom het OM van eerdergenoemd onderzoek en van het ontbreken van politiefiles geen melding heeft gemaakt bij de rechtbank Leeuwarden en nu het hof Arnhem.
  • Horen van CTIVD Den Haag waar een onderzoek naar deze zaak is gedaan met verzoek tot stopzetting doofpot en samenzwering ministerie van binnenlandse zaken en politiek.
  • Andere onderzoeken waardoor voor het hof de samenzwering kan worden vastgesteld.

Aan deze verzoeken is door verdachte ten grondslag gelegd dat verdachte van mening is dat zonder enige controle wordt gesteld dat hij waangestoord is en verzinsels publiceert en daardoor foutief de klagers openlijk beschuldigt, terwijl zijn stellingen waar zijn en hij het slachtoffer is van de grootste samenzwering aller tijden.

Het hof wijst het verzoek tot het laten verrichten van nader onderzoek af nu de noodzaak hiertoe niet is gebleken. In de kern beschouwd berust ook dit verzoek op een door verdachte gestelde gang van zaken waarvoor iedere objectieve aanwijzing, hoe gering ook, ontbreekt.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 10 september 2008, op diverse data en/of tijdstippen, te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, (meermalen) opzettelijk; door middel van (telkens) het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan van (een) geschrift(en), (telkens) de eer en/of de goede naam Van E.J.M. B. en/of H. P. en/of W. J. (te weten (destijds) de echtgenote van hem, verdachte) en/of J.J. D. en/of K. J. heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte een (aantal) bericht(en)/teksten op het internet (te weten de site

www. vechtentegenhetonbekende.nl  en/of zijn, verdachtes, weblog (te weten blog.vechtentegenhetonbekende.nl) en/of in zijn, verdachtes uitgegeven boek (te weten Vechten tegen het Onbekende Deel 1 Gruwelijk Bedrogen) geplaatst waarin is vermeld – zakelijk weergegeven:

  • dat voornoemde B. een kroongetuige is en/of een geheimhoudersverklaring bij Justitie heeft getekend en/of tegen de recherche heeft gelogen en/of
  • dat voornoemde P. de vrouw van verdachte meerdere malen heeft verkracht en/of misbruikt en/of (hierbij) een kind bij de vrouw van verdachte heeft verwekt en/of
  • dat voornoemde W. J. meerdere malen is verkracht en/of dat (hierbij) kinderen zijn verwekt en/of een dubbele persoonlijkheid heeft en/of
  • dat voornoemde D. de vrouw van verdachte heeft gedrogeerd en/of (vervolgens) verkracht en/of misbruikt en/of heeft verdachte (hierbij) een foto van die D. geplaatst en/of
  • dat voornoemde K. J. de ongeboren vrucht bij zijn, verdachtes vrouw heeft laten afdrijven met een chemisch middel en/of met vrienden en/of familie de samenzwering “Groep Mengele” heeft opgericht en/of zijn, verdachtes, vrouw heeft laten verkrachten.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweer (partieel) nietige dagvaarding

De raadsman heeft bepleit dat de dagvaarding geheel dan wel partieel nietig is nu voor verdachte niet voldoende duidelijk is waartegen hij zich heeft te verweren doordat in de tenlastelegging niet gespecificeerd is waar de uitlatingen van verdachte precies te vinden zijn.

Het hof is van oordeel dat de inleidende dagvaarding voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging bevat een voldoende duidelijke en feitelijke opgave van de verweten gedragingen. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting zelf verklaard dat hij de uitlatingen aan het adres van de in de tenlastelegging genoemde personen heeft gedaan op de in de tenlastelegging genoemde website en het genoemde weblog en het boek dat in de tenlastelegging is genoemd, het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 10 september 2008, op diverse data en/of tijdstippen, te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, (meermalen) opzettelijk; door middel van (telkens) het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan van (een) geschrift(en), (telkens) de eer en/of de goede naam van E.J.M. B. en/of H. P. en/of W. J. (te weten (destijds) de echtgenote van hem, verdachte) en/of J.J. D. en/of K. J. heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte een (aantal) bericht(en)/teksten op het internet (te weten de site

www. vechtentegenhetonbekende.nl  en/of zijn, verdachtes, weblog (te weten blog.vechtentegenhetonbekende.nl) en/of in zijn, verdachtes uitgegeven boek (te weten Vechten tegen het Onbekende Deel 1 Gruwelijk Bedrogen) geplaatst waarin is vermeld – zakelijk weergegeven:

  • dat voornoemde B. een kroongetuige is en/of een geheimhoudersverklaring bij Justitie heeft getekend en/of tegen de recherche heeft gelogen en/of
  • dat voornoemde P. de vrouw van verdachte meerdere malen heeft verkracht en/of misbruikt en/of (hierbij) een kind bij de vrouw van verdachte heeft verwekt en/of
  • dat voornoemde W. J. meerdere malen is verkracht en/of dat (hierbij) kinderen zijn verwekt en/of een dubbele persoonlijkheid heeft en/of
  • dat voornoemde D. de vrouw van verdachte heeft gedrogeerd en/of (vervolgens) verkracht en/of misbruikt en/of heeft verdachte (hierbij) een foto van die D. geplaatst en/of
  • dat voornoemde K. J. de ongeboren vrucht bij zijn, verdachtes vrouw heeft laten afdrijven met een chemisch middel en/of met vrienden en/of familie de samenzwering “Groep Mengele” heeft opgericht en/of zijn, verdachtes, vrouw heeft laten verkrachten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bespreking verweren

Door de raadsman is bepleit dat hetgeen verdachte over Broers heeft gepubliceerd, te weten dat zij een kroongetuige is dan wel een geheimhoudersverklaring heeft getekend niet te typeren is als smaad(schrift), omdat artikel 261 Strafrecht vereist dat het gaat om feiten die als misdrijven of minst genomen als moreel verwerpelijk plegen te worden beschouwd.

Ten aanzien van hetgeen verdachte over mevrouw Wietske-J., zijn ex-echtgenote heeft geschreven, te weten dat zij een dubbele persoonlijkheid heeft en dat zij het slachtoffer zou zijn van verkrachting, is hetzelfde bepleit.

Het hof verwerpt dit verweer, nu de door de verdediging genoemde ten aanzien van voornoemde personen gedane uitlatingen van verdachte in zijn geheel genomen moeten worden bezien met de andere uitlatingen die hij over hen heeft gedaan. Zo heeft hij ten aanzien van Broers ook gepubliceerd dat zij gelogen zou hebben tegen de recherche en over J. dat zij ontoerekeningsvatbaar zou zijn. Het hof is van oordeel dat de gehele context van de uitlatingen die verdachte ten aanzien van deze personen heeft gedaan, beledigend is.

Door de raadsman is op de gronden als verwoord in de aan het proces-verhaal gehechte pleitnota bepleit dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging nu sprake is van psychische overmacht dan wel van noodtoestand, noodweer of het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid en afwezigheid van alle schuld.

Het hof verwerpt deze verweren.

Aan de door de verdediging gevoerde verweren ligt ten grondslag dat verdachte de tenlastegelegde gedragingen heeft begaan omdat hij die wel moest verrichten. Dit levert in juridische zin psychische overmacht, noodtoestand, noodweer of het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid en afwezigheid van alle schuld op.

Zoals hiervoor al is vastgesteld, is geenszins aannemelijk geworden dat in welke vorm dan ook sprake is geweest van een gang van zaken zoals beschreven door verdachte in diens alternatieve scenario en met name ook niet dat in enigerlei vorm verdachte door derden onder druk is gezet of zodanig is gemanipuleerd dat hij daardoor is gebracht tot de aan hem verweten gedragingen. Ook volgt uit al hetgeen hiervoor is overwogen dat het algemeen belang bepaaldelijk niet is gediend door de aan verdachte verweten gedragingen.

Hetgeen verder nog door de verdediging naar voren is gebracht en niet door het hof besproken is, wordt door het hof niet aangemerkt als uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.

Strafbaarheid van het hewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

smaadschrift,

meermalen gepleegd.

 

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte heeft met zijn handelen gedurende lange tijd de in de bewezenverklaring genoemde personen beledigd. Hij heeft dit gedaan door op internet op meerdere websites en op een weblog verhalen met zeer ernstige beschuldigingen over hen te publiceren en door dit ook in boekvorm uit geven. Uit de aangiftes en de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat de aangevers in grote mate hinder ondervinden van hetgeen verdachte over hen publiceert en dat zij het heel erg vinden dal verdachte dit al zo lang doet. Met name hetgeen hij op internet plaatst is hierbij voor hen belangrijk, omdat dit voor een ieder toegankelijk is en niet te verwijderen is.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 9 februari 2009 is het vonnis waarvan beroep gewezen. Hiervan isverdachte diezelfde dag in hoger beroep gekomen. Ondanks het feit dat een deel van deze vertraging ontstaan is door de verzoeken die door de verdediging zijn gedaan, is het hof van oordeel dat in het algemeen valt te betreuren dat er reeds zo veel tijd verstreken is en dat ruim drieënhalf jaar later arrest wordt gewezen. Dit is zowel voor verdachte als voor alle andere betrokkenen te betreuren.

Het hof ziet hierin aanleiding, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, aan verdachte geen werkstraf op te leggen, maar alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde dat verdachte — kort gezegd — de namen van de aangevers en de aan hen geuite beschuldigingen dient te verwijderen van het internet en het door hem geschreven boek.

Vordering van de benadeelde partij E.J.M. B.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1500.00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij J.J. D.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het Overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij H. P.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.320,45. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op du artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

  • dat verdachte de namen van de aangevers en de aan hen geuite beschuldigingen dient te verwijderen van alle websites en weblogs waar hij de zeggenschap over heeft, in ieder geval van de websites www.vechtentegenhetonbekende.nl en de bijbehorende wegblog http://blog.vechtentegenhetonbekende.nl  alsmede van de website www.fightingtheunknown.com en de daarbij behorende weblog services.com;
  • dat verdachte geen nieuwe website(s) of weblog(s) zal plaatsen met de namen van de aangevers en de aan hen geuite beschuldigingen;
  • dat verdachte de namen van de aangevers en de aan hen geuite beschuldigingen dient te verwijderen uit zijn boek “vechten tegen het onbekende”, ISBN nummer 078-90-79385-01-0 alsmede uit eventueel andere reeds uitgegeven boeken;
  • dat verdachte geen nieuwe boek(en) zal uitgeven met de namen van de aangevers en de aan hen geuite beschuldigingen;
  • dat verdachte het voorgaande binnen twee weken na onherroepelijk worden van dit arrest heeft gerealiseerd.

Vordering van de benadeelde partij E.J.M. B.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij E.J.M. B. ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro)) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd E.J.M. B., een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij J.J. D.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij J.JD. ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd J.J. D., een bedrag te belalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij H. P.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij H. P. ter zake van het bewezen verklaarde tot bet bedrag van € 2.320,45 (tweeduizend driehonderdtwintig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 820,45 (achthonderdtwintig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en E 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd H. P., een bedrag te betalen van € 2.320,45 (tweeduizend driehonderdtwintig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 820,45 (achthonderdtwintig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen’ en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,

mr C.G. Nunnikhoven en mr. A.W.M. Elders, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Vodegel, griffier,

en op 3 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.